|
Het Jeugdjournaal als exportproductdinsdag 17 april 2007Ole Chavannes van Free Voice zet in ontwikkelingslanden jeugdjournaals op. Portret van een bevlogen reporter: "Ik ben geen ontwikkelingswerker, ik ben journalist." Door jpolman AMSTERDAM -- De missie van Amsterdammer Ole Chavannes (31) klinkt eenvoudig: geef kinderen een stem. Hij vliegt daarvoor de hele wereld over om in landen als Peru, Suriname, Zuid-Afrika, Indonesië en Afghanistan jeugdjournaals voor kinderen van 8 tot 14 jaar op te tuigen en de redacties te adviseren. Hier in Nederland zijn hele generaties groot geworden met het Jeugdjournaal, dat al zeker 26 jaar een begrip is. Maar het behoeft nauwelijks betoog dat in een land als Afghanistan, waar persvrijheid niet vanzelfsprekend is, de werkelijkheid een hele andere is. Ole Chavannes werkt voor Kids News Network (KNN) van Free Voice, een Nederlandse stichting die sinds 1986 in uiteenlopende ontwikkelingslanden de persvrijheid probeert te bevorderen. Free Voice bestaat van subsidies, zoals van het ministerie van Buitenlandse Zaken en de Postcodeloterij. Verder werkt het team nauw samen met Plan Nederland (het vroegere Foster Parents) bij het opzetten van nieuwe journaals in Peru en Indonesië. In 2004 is Free Voice begonnen met het opstarten van kinderjournaals in drie landen: Zuid-Afrika, Suriname en Afghanistan. Free Voice schuwt het niet om daarbij heilige huisjes omver te trekken, zegt Ole. "Het jeugdjournaal in Afghanistan doorbreekt letterlijk taboe na taboe", vertelt de bevlogen journalist. "Alleen al het feit dat er vrouwen op de redactie werken en de hoofdredacteur een vrouw is, leidt daar tot protest van ouders en imams. Het team dat daar werkt, is ongelooflijk moedig. Want Afghanistan is in feite nog een land in oorlog." Dat maakt het werken daar zelfs gevaarlijk, vertelt Ole. "Laatst wilde een reporter een item gaan maken in Oost-Afghanistan, een gebied waar de Taliban nog altijd niet helemaal zijn verdreven. De jongen liet zijn baard staan en besloot traditionele kleding te dragen om zo veilig door dat gebied te kunnen reizen. Hij wilde laten zien hoe de kinderen daar leven en was bereid daarvoor risico's te nemen. Hij vroeg van tevoren aan mij wat ik van dat plan vond. Ik heb hem gezegd dat niemand anders dan de redactie zelf beter kan inschatten of het verantwoord is om te gaan. Hij heeft de kinderen daar uiteindelijk geen vragen over de Taliban gesteld. Maar hij heeft wel een mooie reportage gemaakt over hoe die kinderen daar leven." Volgens Ole zijn de uitzendingen in Suriname, Zuid-Afrika en Afghanistan mateloos populair. Net als in Nederland maken de redacteuren journaals waarin kinderen centraal staan. "In de rubrieken voor volwassenen zie je vaak dat kinderen alleen als slachtoffer worden getoond. Wij willen kinderen ook als winnaars laten zien. Kijk naar Zuid-Afrika waar veel kinderen met het hiv-virus besmet zijn. Daar zijn dus genoeg zielige en ellendige verhalen te maken. Het jeugdjournaal daar koos er echter voor om een jongetje met hiv te portretteren dat een eigen voetbalclub heeft opgericht waar jongens met en zonder hiv-besmetting in hetzelfde team voetballen." De teams in de verschillende landen krijgen trainingen van ervaren, vaak Nederlandse redacteuren. Ze leren hoe ze ingewikkelde kwesties begrijpelijk kunnen uitleggen aan kinderen. Vaak bieden de reportages aanknopingspunten voor oplossingen, zegt Ole. "Als je een item maakt over kindermishandeling, dan kun je doorverwijzen naar de Kindertelefoon of naar websites met voorlichting." De redacteuren leren verder geen blad voor de mond te nemen. "Zelfs de grootste dictator kan niet tégen een journaal voor kinderen zijn, zeker niet als hij zelf ook kinderen heeft. Bijna iedereen vindt het een sympathiek idee. Daarom zie je ook dat redacteuren regelmatig verder komen met hun berichtgeving dan de vaak aan censuur onderhevige rubrieken voor volwassenen. De jeugdjournaalredacteuren vliegen als het ware onder de radar van de censuur door." Overigens kun je de door Ole en zijn collega's opgezette jeugdjournaals niet vergelijken met de Nederlandse versie. "Nee, ieder jeugdjournaal is anders. Wij geven de redacties de middelen om een jeugdjournaal te maken, het is vervolgens aan henzelf hoe ze dat vormgeven en hoe vaak ze uitzenden. Maar het doel is overal hetzelfde: we willen kinderen een stem geven, ze informeren over het nieuws via televisie en internet en ze de mogelijkheid bieden om via internet mee te discussiëren. En tegelijkertijd leiden we jonge mensen op tot bekwame en kritische verslaggevers die nog van veel waarde kunnen zijn voor de ontwikkeling van persvrijheid in hun eigen land." Ole en zijn collega's werken momenteel in Peru, Indonesië en Zambia aan nieuwe jeugdjournaals. "We willen niet bevoogdend zijn en doen alsof we de wijsheid in pacht hebben. Daarom hebben we bijvoorbeeld gekozen om Zuid-Afrikaanse redacteuren in te zetten bij de trainingen van hun Zambiaanse collega's. Het onderlinge cultuurverschil is minder groot en de problemen in de landen zijn vergelijkbaar." Ole vreest niet dat hij daardoor uiteindelijk zonder werk komt te zitten: "Ik droom van een wereldwijd netwerk van jeugdjournaals die onderling items uitwisselen en van elkaar kunnen leren. Internet maakt dat mogelijk. Dus er is nog werk genoeg." Kijk voor meer informatie op http://www.freevoice.nl/pages/project-knn-media.php Lees dit artikel in de D!G! SP!TS Klik hier voor de huisregels voor het reageren op Spitsnet.nl
|
|
|||||||||||||||||||||||||
| copyright © 2010 SP!TS | |||